Geen zicht op koopkrachtbehoud in nieuwe pensioenwet

Liane den Haan maakt zich grote zorgen over de nieuwe Wet Toekomst Pensioenen. “Er is geen enkel perspectief op behoud van koopkracht van gepensioneerden, laat staan op verbetering van de koopkracht”, zei zij in de Tweede Kamer. “Het kabinet lijkt een compleet blinde vlek te hebben voor onze ouderen.”

Fractie den Haan maakt zich ernstig zorgen over de nieuwe pensioenwet waaraan nu gewerkt wordt. Liane den Haan zei tijdens een wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer over de WTP (Wet Toekomst Pensioenen) dat de gepensioneerden al jarenlang het kind van de rekening zijn. “Hun koopkracht neemt al jaren niet toe, in tegenstelling tot die van de werkenden. En nu in deze moeilijke tijd, waarin het voor velen moeilijk is de eindjes aan elkaar te knopen, zie ik geen enkel perspectief op behoud, laat staan verbetering van de koopkracht van gepensioneerden. Het kabinet lijkt een compleet blinde vlek te hebben voor onze ouderen. Werken moet lonen, zegt het kabinet. Maar je hele leven gewerkt hebben en een grote bijdrage aan de samenleving te hebben geleverd loont helaas niet. En dat vind ik onvoorstelbaar!”

Behoud van koopkracht

Liane den Haan vindt dat koopkrachtbehoud één van de drie belangrijkste doelstellingen is van de nieuwe pensioenwet. “En voor gepensioneerden dé belangrijkste”, voegde zij eraan toe. “Zeker in deze tijd, met de tot voor kort onvoorstelbare hyperinflatie, moeten we enorm kritisch zijn op het indexatievermogen van het nieuwe pensioenstelsel.” En daar heeft Liane ernstige twijfels over. Want uit antwoorden op vragen die Fractie den Haan aan minister Schouten van Pensioenen stelde blijkt dat het nog maar de vraag is of pensioengerechtigden werkelijk jaarlijks de koopkracht tenminste kunnen handhaven.

Van de regen in de drup

“Ik maak mij enorme zorgen dat gepensioneerden van nu en straks van de regen in de drup komen”, zei Liane den Haan. “Wat mij betreft geldt hier: bij twijfel niet inhalen. Het kan niet zo zijn dat we in een paar maanden tijd beslissen om het oude pensioenstelsel bij het grofvuil te zetten en kort na invoering beseffen dat we wellicht een enorme, onherstelbare fout gemaakt hebben. Laten we ons niet door tijdsdruk leiden doordat we er nu al zo lang mee bezig zijn en daarmee wellicht een slechter pensioenstelsel dan nu in gaan voeren.”

Ouderen voelen zich tot last

Liane stelde dat ouderen in onze samenleving een bijzondere plaats innemen. “De vergrijzing wordt door de regering gezien als een aanslag op onze zorgkosten, op onze pensioenvoorziening. Als een economische last, een medisch dilemma, als een probleem op de woningmarkt, kortom als een negatief geladen politiek thema. Ouderen voelen zich steeds meer als een last.”

We hebben onze ouderen hard nodig!

Liane den haan deed een oproep aan minister Schouten om ouderen te zien als waardevol. “Zie ouderen als waardevolle mensen die jongeren kunnen helpen om de betekenis van het leven te ontdekken en op waarde te schatten, als waardevolle mensen die van grote betekenis zijn in onze samenleving als mantelzorger, oppas, trainer, coach, vrijwilliger en steeds meer ook doorwerkend. En deze waardevolle mensen verdienen een inkomen, een pensioen dat hen in staat stelt mee te kunnen blijven doen in deze samenleving, want we hebben onze ouderen hard nodig”, aldus Liane den Haan.

 


 

De volledige inbreng van Liane den Haan bij het wetgevingsoverleg in verband met herziening van het pensioenstelsel (Wet Toekomst Pensioenen).

“Met een nieuw stelsel hoop je op duidelijkheid. Een stelsel dat makkelijk uit te leggen is aan iedereen. Heldere uitleg is belangrijk. Want hoe moeilijker wij het maken voor de samenleving, hoe sneller mensen afhaken en zich gaan vervreemden van het onderwerp en van de politiek in het algemeen. De onderbuik gaat dan spreken en dat is vaak een slechte raadgever. En eerlijk gezegd: het pensioen was al ingewikkeld, maar alle betrokkenen hebben zichzelf bij de uitwerking van het pensioenakkoord overtroffen en het nóg complexer gemaakt.

Een van de voornaamste doelen van de nieuwe pensioenwet is dat indexeren vaker en sneller mogelijk is om zodoende de koopkracht van gepensioneerden op peil te houden. Maar met de laatste antwoorden op onze vragen over de indexatie in deze pensioenwet is het nog maar de vraag of pensioengerechtigden werkelijk jaarlijks de koopkracht tenminste kunnen handhaven (en niet gemiddeld over 24 jaar, zoals staat in het recente DNB-rapport over transitie).

Zeker in deze tijd, met de tot voor kort onvoorstelbare hyperinflatie, moeten we enorm kritisch zijn op het indexatievermogen van het nieuwe pensioenstelsel.

Ik maak mij enorme zorgen dat gepensioneerden van nu en straks van de regen in de drup komen. Wat mij betreft geldt hier: bij twijfel niet inhalen. Het kan niet zo zijn dat we in een paar maanden tijd beslissen om het oude pensioenstelsel bij het grofvuil te zetten en kort na invoering beseffen dat we wellicht een enorme, onherstelbare fout gemaakt hebben. Laten we ons niet door tijdsdruk leiden doordat we er nu al zo lang mee bezig zijn en daarmee wellicht een slechter pensioenstelsel dan nu in gaan voeren.

Vandaag hebben wij de mogelijkheid tot het stellen van technische vragen en ik hoop dat er voor de huidige én toekomstige gepensioneerden in ons land meer duidelijkheid en geruststelling kan komen.

Voor mij zijn drie hoofdpunten van belang. De drie I’s: Indexatie, Invaren en Inspraak.

INDEXATIE

We hebben kennisgenomen van de beantwoording op onze vragen (36067, Bron 1) inzake de inflatiedekking. In het rekenvoorbeeld is het projectierendement van 1.5% niet meegenomen.

Uit de beantwoording lijkt het dat de minister het met ons eens is dat vanuit het rendement zowel het projectierendement als de inflatiedekking moet worden gefinancierd.

Kan de minister dit expliciet bevestigen? Kan zij tevens bevestigen dat alleen bij een beleggingsportefeuille van 50% aandelen en 50% vast rentende waarde er slechts sprake is van een inflatie dekking van rond de 2%? En niet bij hogere inflatie, tenzij er nog risicovoller wordt belegd. Indien de minister verwijst naar de solidariteitsreserve, kan zij daar dan een cijfermatige onderbouwing bij leveren en wederom bij 2, 4, en 6% inflatie? Ik wil graag zien of de benodigde reserve reëel is en in hoeverre deze ten koste gaat van de uitkering of opbouw. Ook wil ik graag weten wanneer de beoogde solidariteitsreserve genoeg is voor de gepensioneerden van nu en straks.

Was het gezien de in de memorie van toelichting (2.1) genoemde doelstelling van de nieuwe wet ‘Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen’ niet logischer en ook noodzakelijk geweest om bij de toetsing van een koopkrachtig pensioen uit te gaan van tenminste de 2% inflatiedoelstelling van de ECB en gezien de huidige situatie ook van hogere inflatie?

Er zijn door de regering geruststellende woorden gesproken inzake de tijdelijkheid van de hoge inflatie, maar helaas is er geen echte grond te vinden anders dan de doelstelling van de ECB.

Mag ik de minister eraan herinneren dat de inflatiedoelstelling van de ECB niet gehaald is in het afgelopen decennium. Het is maar de vraag of het benodigde instrumentarium aanwezig is om de huidige inflatie te beteugelen.

Kan de minister haar visie geven hoe zij het nieuwe stelsel in het algemeen ziet in het licht van de huidige (hyper)inflatie? Op welke wijze beïnvloedt bijv. de door de ECB voorgestelde renteverhoging van 0.75% de uitkomsten van het nieuwe stelsel?

Is de minister het met mij eens dat op basis van wetenschappelijke inzichten en analoog aan pensioenverzekeringsproducten een percentage van 50% aandelen in het algemeen een te hoog risico is bij hoge leeftijdscohorten zoals senioren en gepensioneerden?

Een dergelijk hoog percentage staat bovendien haaks op de afbouw van risico die plaatsvindt in de lifecycle naarmate de leeftijd vordert.

Handhaving van dit hoge risico zou betekenen dat een oudere werknemer eerst risico afbouwt en na de pensioendatum weer meer risico moet nemen om aan 2% indexatie te kunnen komen. Kan de minister onderbouwen waarom gepensioneerden in het algemeen meer risico moeten nemen dan oudere werknemers die vlak voor hun pensioen staan? Hoe gaat de minister dit uitleggen aan de burger die al met pensioen is of gaat straks?

In het huidige stelsel hebben de meeste pensioenfondsen voor circa 60% in aandelen belegd, zoals blijkt uit de jaarlijkse rapportage van DNB. Leidt het nieuwe pensioenstelsel in het totaal juist niet tot een lager deel in aandelen waardoor het rendement in zijn totaal lager wordt? Welke ‘checks and balances’ zitten er in het nieuwe stelsel om te voorkomen dat rendementen lager worden?

Is de minister het met mij eens dat indexatie, na 15 jaar uitblijven in het huidige stelsel, ook in het nieuwe stelsel nauwelijks mogelijk is. Kan de minister mij klip en klaar uitleggen dat jaarlijks behoud van de koopkracht van gepensioneerden in het nieuwe stelsel wel mogelijk is?

Dit is namelijk toch een van de beoogde hoofddoelstellingen van het nieuwe stelsel?

In uw beantwoording en rapportages van DNB wordt vaak gesteld dat een belangrijke reden voor extra compensatie voortvloeit uit minder buffers. Is de minister het met de Fractie den Haan eens dat het weghalen van buffers, het dempende effect, de volatiliteit van pensioen verhoogt? Dus met andere woorden: dat de deelnemer directer het dalen en stijgen van het rendement voelt. En dat het pensioen steeds minder zeker wordt dan nu al het geval is. Dat kan een keuze zijn mits het ook leidt tot een hoger pensioen.

Is de minister het met mij eens dat koopkrachtbehoud één van de drie belangrijkste doelstellingen is van dit wetsvoorstel en voor de gepensioneerden de belangrijkste? Indien ja, wordt als gevolg van de huidige inflatie niet het hart uit het stelsel gerukt? Dit voorstel is volledig geschreven in en gebaseerd op een periode van lage tot extreem lage inflatie. Nu de situatie sterk is veranderd is het dan niet logisch ook vanuit de nieuwe situatie, nieuwe scenario’s door te rekenen voordat er besluiten worden genomen? Is de regering hiertoe bereid? Kan de minister mij aangeven in welke mate de huidige rentestijging het probleem van het huidige stelsel vanzelf oplost?

Wat rechtvaardigt een nieuw stelsel op dit moment? En halen we niet heel veel overhoop als we de hoofddoelstelling niet kunnen realiseren?

Uit beleggingsonderzoeken blijkt dat de individuele risicohouding sterk kan afwijken van de risicohouding van een leeftijdscohort. Het hangt immers af van de persoonlijke financiële situatie. Hoe meer afhankelijk van het maandelijks pensioen om rond te komen, hoe beperkter het risico. Hierdoor kan het zijn dat voor een deelnemer meer (of minder) risico wordt genomen dan past bij zijn individuele situatie. Hetgeen kan leiden tot aansprakelijkheidstelling van het fonds en/of bestuurders. Welke maatregelen neemt de regering om dit te voorkomen?

Naar aanleiding van de beantwoording van vraag van de Fractie den Haan inzake het uitgangspunt ‘genoeg is genoeg’. Is de minister het met ons eens dat ‘genoeg’ pas wordt bereikt als de volledige achterstallige indexatie is ingehaald en wat zijn de beperkingen om dit niet te doen?

INVAREN

Wij praten over dit nieuwe stelsel natuurlijk niet alleen over de huidige gepensioneerden maar ook over de groep die daar nu naar toe werkt. Hoe zorgen wij ervoor dat deze groep, die nu vaak hard aan het werk is om het hoofd boven water te houden door alle crises in dit land, toch kan uitkijken op een goed pensioen? De groep mensen van tussen circa 40 en 60 is de groep die het meest benadeeld wordt in het nieuwe stelsel. Zij hebben immers de meeste last van het afschaffen van de doorsneepremie.

Het invaren, zoals we dat noemen, zou een verantwoordelijkheid zijn van pensioenfondsbesturen en sociale partners. Ze zouden dit ‘evenwichtig’ gaan doen, maar hoeveel houvast geeft dat? Wanneer is volgens de minister sprake van evenwichtigheid? Wij willen graag zien dat hier meer regels worden gesteld en instrumenten voor worden opgericht zodat ook de belangen van deze groep niet alleen behartigd wordt, maar dat er ook regelgeving is. Kan de minister dit uitwerken?

Welke lessen zijn er getrokken uit eerdere pogingen het pensioenstelsel te hervormen met betrekking tot invaren?

Wij constateren in de voorgestelde wet evenals in het rapport Transitie effecten van DNB dat bij het invaren compensatie eerst en daarna indexatie en inhaalindexatie wordt gefinancierd voor zover er afdoende buffers zijn. Dat is op zijn minst vreemd, omdat het eigen vermogen van een fonds in de praktijk juist dient om daaruit indexatie en, bij meer dan het vereist eigen vermogen, ook inhaalindexatie te kunnen financieren. In het huidige stelsel wordt dan ook een logische methode gehanteerd waarbij de volgorde luidt: eerst de nominale pensioenen financieren, daarna de indexatie financieren, vervolgens de inhaal-indexatie financieren en als laatste compenseren.

Waarom wijkt de minister van deze huidige werkwijze af en is het niet rechtvaardiger gezien de bestemming van het eigen vermogen beter de huidige volgorde te handhaven?

Na acceptatie van de WTP vindt op een gegeven moment de transitie plaats. Is het bij gelijke koersen van de beleggingen mogelijk dat een gepensioneerde in de maand vóór de transitie een hoger pensioen heeft dan in de maand na de transitie?

Dit komt dan door de veranderde wetgeving. Zo ja: in welke situaties vindt dit plaats en kan de regering garanderen dat voor en na de transitie de pensioenuitkering tenminste gelijk is en eenvoudig te vergelijken is in het aangekondigd pensioenoverzicht voor en na transitie?

INSPRAAK

Het verbieden van het individueel bezwaarrecht zal een negatief effect hebben op het toch al tanende vertrouwen in de politiek. Een hoorrecht zonder doorzettingsmacht is daarbij ook nog eens een wassen neus. Temeer daar de invulling van het hoorrecht ligt bij de sociale partners, die dus hun eigen tegenspraak moeten gaan organiseren. Vindt de minister dit een wenselijke ontwikkeling?

Naar aanleiding van het antwoord op onze vraag inzake het risicopreferentie-onderzoek merkt de regering op dat gevoel van een eigen pensioenvermogen beperkt is omdat men veelal niet kan kiezen uit een eigen beleggingsprofiel zoals bij pensioenverzekeringen.

Waarom is daar niet in het gehele stelsel voor gekozen maar alleen in sommige gevallen bij een flexibele premieregeling? Dat het ingewikkeld is, kan niet als argument gebruikt worden want dan zou men ook de keuzevrijheid bij pensioenverzekeringen moeten verbieden.

Juist het kiezen van een risicoprofiel in plaats van een leeftijdscohort zorgt voor een betrokkenheid en een betere aansluiting bij de persoonlijke situatie.

Wat rechtvaardigt een nieuw stelsel ten opzichte van het oude met de oplopende rente en inflatie? Lost het oude stelsel de meeste problemen niet vanzelf op?

Kan de minister een geüpdate vergelijking maken tussen indexatie in het huidige stelsel ten opzichte van het nieuwe stelsel? Kan zij ook aan enkele grote fondsen vragen om dergelijke concrete berekeningen te verstrekken?

Kan de regering naar aanleiding van haar antwoord op de vraag van onze fractie aangeven hoe het risicopreferentie-onderzoek onder de deelnemers zich verhoudt tot de wetenschappelijke inzichten? Is het onderzoek onder de deelnemers leidend of de wetenschappelijke inzichten? Wat zijn de consequenties als er volgens wetenschappelijke inzichten anders wordt belegd dan uit de gemeten risicohouding volgt?

Wie draagt hier aansprakelijkheid voor een dergelijke (afwijkende) handelswijze?

De huidige arbeidsmarkt vraagt om maatregelen in de loonsfeer. Sociale partners zullen daar op focussen. Anders dan de regering voorzien wij dat het belang van gepensioneerden en slapers ondergesneeuwd zal raken. Ook zien we bij werknemersorganisaties dat er twijfels zijn bij hun gepensioneerden of hun belang wel voldoende wordt meegewogen ten gunste van de actieven. Kan de minister nog eens uitleggen hoe ze dit gaat voorkomen?

In de beantwoording op de vraag of compensatie buiten de pensioenregeling kan leiden tot een lagere premie waardoor er minder ruimte is voor het vullen van de solidariteits- of risicoreserve zouden wij wat betere kaders willen zien, temeer daar het cohort gepensioneerden in de komende jaren flink zal toenemen.

Voor de werkgevers is dit een goed stelsel omdat de premies lager en voorspelbaarder worden. Ook de meeste pensioenfondsen zijn tevreden; adviesbureaus kunnen ook nog jaren aan de transitie verdienen. De enige die echt risico lopen zijn de werknemers en de gepensioneerden.

Zou dat niet moeten betekenen dat de werknemers – eventueel via de vakbonden – maar zeker ook de gepensioneerden een veel grotere stem moeten krijgen? Dit temeer omdat de vergrijzing in de komende jaren behoorlijk zal toenemen en daardoor ook het aantal gepensioneerden.

Afsluitend: een hele rits vragen nog aan mijn kant, maar ook aan die van mijn collega’s.

Ik maak mij ernstig zorgen. Vooral omdat juist de gepensioneerden al jarenlang het kind van de rekening zijn. Hun koopkracht neemt al jaren niet toe, in tegenstelling tot die van de werkenden. En nu in deze moeilijke tijd, waarin het voor velen moeilijk is de eindjes aan elkaar te knopen, zie ik geen enkel perspectief op behoud, laat staan verbetering van de koopkracht van gepensioneerden. Het kabinet lijkt een compleet blinde vlek te hebben voor onze ouderen. Werken moet lonen, zegt het Kabinet. Maar je hele leven gewerkt hebben en een grote bijdrage aan de samenleving te hebben geleverd loont helaas niet. En dat vind ik onvoorstelbaar.

In onze samenleving nemen ouderen een bijzondere plaats in. Nog nooit eerder werden zoveel mensen zo oud, maar we falen als het erom gaat deze vergrijzing een positieve betekenis te geven. We falen om op de demografische ontwikkelingen te anticiperen. En dus wordt de vergrijzing gezien als een aanslag op onze zorgkosten, op onze pensioenvoorziening. Als een economische last, een medisch dilemma, als een probleem op de woningmarkt, kortom als een negatief geladen politiek thema. Ouderen voelen zich steeds meer als een last.

Ik doe een oproep aan deze minister om ouderen te zien als waardevol, als waardevolle mensen die jongeren kunnen helpen om de betekenis van het leven te ontdekken en op waarde te schatten, als waardevolle mensen die van grote betekenis zijn in onze samenleving als mantelzorger, oppas, trainer, coach, vrijwilliger en steeds meer ook doorwerkend. En deze waardevolle mensen verdienen een inkomen, een pensioen dat hen in staat stelt mee te kunnen blijven doen in deze samenleving want we hebben onze ouderen hard nodig!”

Onze website maakt gebruik van analytische cookies om uw ervaring te verbeteren. Lees voor meer informatie ons privacybeleid.